Historie Nederlandse waterwinning

Eerste waterleiding is van 1853

Ruim 167 jaar gezond drinkwater
Nederland beschikt over een van de beste waterleidingnetten ter wereld. Iedereen kan in ons land beschikken over veilig, fris drinkwater. Maar dat is een verworvenheid die toch nog maar zo’n anderhalve eeuw geleden in gang is gezet!

Historie
Gedurende de Middeleeuwen werd de antieke traditie voortgezet en behielp men zich voor de watervoorziening met putten en bronnen. In sommige steden deden de antieke aquaducten dienst, maar nieuwe voorzieningen werden niet aangelegd. De watervoorziening in de Middeleeuwen was dan ook vooral een bron van infectieziekten, zoals tyfus en cholera. En het gebruik van water nam in deze tijd ook nog eens flink toe, zeker toen de steden pogingen deden de straten te reinigen.

In de loop van de 17de eeuw werden de oude kettingputten meestal vervangen door putten met een pomp, maar de hygiëne bleef bedroevend slecht. Bacteriologische kennis had men nog niet, waardoor drinkwaterputten vaak vlak naast mestputten lagen. In diezelfde periode begon men ook waterleidingen aan te leggen, die gevoed werden door rivierwater. Daarvoor waren mechanische opvoermiddelen met waterwielen nodig. Een van de oudste werd in 1558 al in Augsburg gebouwd. Duitse ingenieurs speelden toch al een voortrekkersrol: zij hadden in 1526 het Alcazar in Toledo al van een waterleiding met pompen voorzien. Klein wapenfeit: in 1682 kregen de beroemde tuinen van Versailles
hun eigen waterleiding.

Watertorens
Aan het einde van de 17de eeuw werden steeds vaker watertorens gebruikt, waarin het water werd opgestuwd; van daaruit vloeide het dan naar de huizen van de rijken. De watertorens werden niet alleen voor drinkwater, maar ook voor bluswater gebouwd. Veel druk kon er daarbij niet uitgeoefend worden, omdat de leidingen van lood of zelfs hout waren gemaakt. Pas rond 1800 werd het gebruik van gietijzeren buizen (overigens al in 1412 beproefd!) gemeengoed, omdat de techniek toen zover was dat de buizen sterk genoeg en tegen redelijke prijzen konden worden geconstrueerd. Ook buizen van aardewerk werden populair.

Bij alle vooruitgang bleven de problemen groot. De meeste pompinstallaties werden door de stromende rivier aangedreven en dat werkte uiteraard niet als de rivier bevroor. Dan was paarden- of handkracht noodzakelijk.

In 1856 volgde Den Helder, in 1874 Den Haag en Rotterdam. In die jaren werden ook de meeste, behoorlijk gecontroleerde, reinigingsinstallaties gebouwd, met zandfilters. Het gebruik van loden leidingen voor huisinstallaties nam vanaf 1882 toe, toen het warmpersen van lood werd uitgevonden.
De eerste groepswaterleiding, waarop verschillende kleinere gemeenten werden
aangesloten, dateert van 1911. Steeds meer gemeenten sloten zich aaneen en richtten samen een waterleidingbedrijf op, vaak in de vorm van een NV. Ook particuliere bedrijven zagen toekomst in deze bedrijvigheid. De provincies hebben zich in het algemeen beperkt tot het stimuleren of geven van steun aan gemeentelijke en particuliere initiatieven. Alleen Noord-Holland opteerde voor een provinciaal waterleidingbedrijf. Wel kwamen er – tussen 1920 en 1930 – in alle provincies provinciale waterleidingverordeningen tot stand om de kwaliteit van het drinkwater te waarborgen, vooral voor het platteland. En de Nederlandse Staat? Die stimuleerde de oprichting van streekbedrijven. In 1913 werd het Rijksinstituut voor de Drinkwatervoorziening (RID) opgericht. Tussen 1925 en 1945 werden er voorontwerpen in behandeling genomen voor een Waterleidingwet, maar het zou tot 1956 duren voordat die er kwam: het vierde kabinet-Drees – ook verantwoordelijk voor de invoering van de AOW – zette deze stap. Wel kwam er al in 1946 een keuringsinstituut, dat in 1949 werd ondergebracht in de NV Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen KIWA.

Versnippering
In 1949 waren 712 van de 1054 Nederlandse gemeenten die er toen waren op de
waterleiding aangesloten. 75% van de Nederlandse bevolking had toen leidingwater. Het dagelijkse verbruik lag in 1949 op 95 liter per inwoner, met enorme verschillen. In Rotterdam verbruikte men 138 liter per jaar, in Haarlem 42 liter. Opmerkelijk: in 1949 bestonden er in Nederland 212 waterleidingbedrijven. Toen de bedrijven zich in 1952 verenigden in de Vereniging van Waterleidingbedrijven in Nederland (VEWIN), waren er nog 199. In 2000 waren er in ons land nog 24 waterleidingbedrijven, inmiddels zijn er nog maar 10 en het fuseren is nog niet aan zijn einde. Het proces van voortdurende integratie maakt een einde aan de versnippering van kennis en technologie. Het is het einde van een ontwikkeling die in 1853 begonnen is en die Nederland schoner, gezonder
en rijker gemaakt heeft.
bron vewin

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *