Spreekwoorden en gezegden

Als er geen water meer is, kent men de waarde van de put: pas als men iets niet meer heeft, merkt men hoe kostbaar het was.
Dat valt in het water: de grap wordt niet opgepikt.
Dat wast al het water van de zee niet af: dat is een daad die niet meer te herstellen is; dat is niet meer te veranderen.
Die is op het water, die moet varen: als men eenmaal ergens mee begonnen is, moet men ook doorzetten.
Een dichter van het zuiverste water: een dichter van zeldzaam goede hoedanigheden.
Een steek onder water: iemand in bedekte termen iets onaangenaams zeggen.
Er zal nog heel wat water door de Rijn stromen, eer dat gebeurt: het zal nog lang duren.
Geen water is hem te diep: hij durft alles te ondernemen.
Gestolen wateren zijn zoet: wat men oneerlijk heeft verkregen, lijkt dikwijls beter dan wat men eerlijk heeft verdiend.
Het feest is in het water gevallen: het is geheel mislukt; letterlijk door de regen; figuurlijk door enige andere oorzaak.
Het hoofd boven water houden: een zaak gaande houden ondanks de moeilijkheden, de moed niet opgeven.
Het is als een storm in een glas water: het stelt niets voor, het is niet ernstig.
Het is net water en vuur: Het zijn mensen die elkaar helemaal niet begrijpen; die alleen maar de grootste ruzie hebben.
Het kind met het badwater weggooien: alles verpesten.
Het water komt aan de lippen: de nood komt aan de man; men verkeert in het uiterste gevaar. Letterlijk: het water is zo diep, dat men nauwelijks nog het hoofd boven water kan houden.
Het water komt op de dijk: de tranen komen in de ogen.
Het water loopt altijd naar de zee: rijke mensen krijgen altijd nog meer geld. Hij gooit zijn geld in het water: hij geeft zijn geld uit aan allerlei nutteloze zaken.
Hij heeft hoog water: hij moet naar het toilet
Hij is bang zich aan koud water te branden: hij is al te voorzichtig en komt daardoor nit tot een daad. Een hond of een kat die zich aan heet water gebrand hebben, wagen zich ook niet meer aan koud water.
Hij is boven water: hij is bemiddeld, hij heeft genoeg geld.
Hij is met hetzelfde water voor de dokter geweest: hij heeft ook al eens het zelfde onaangename geval meegemaakt.
Hij is van alle wateren gewassen: hij is zeer sluw.
Hij is verdronken, eer hij water gezien heeft: hij heeft zich verslingerd aan een meisje, eer hij wist wat het leven betekent.
Hij is weer boven water: hij is weer uit de nood (van een drenkeling die zichzelf heeft weten te redden).
Hij is zo vlug als water: hij is erg bijdehand.
Hij kan de zon weer in het water zien schijnen: hij kan weer vrolijk zijn.
Hij keek of hij water zag branden: hij keek zeer verbaasd.
Hij komt weer boven water: hij komt weer voor de dag; of: hij heeft zijn roes uitgeslapen; of: hij komt er weer bovenop.
Hij loopt met hoog water: zijn broekspijpen zij te kort.
Hij spaart het water: hij wast zich zelden of nooit.
Hij staat tussen water en wind: hij weet niet welke partij hij moet kiezen.
Hij zit op water en brood: hij zit in de gevangenis.
In troebel water is het goed vissen: men kan makkelijk gebruik maken van de moeilijkheden van anderen, men kan daar makkelijk zijn voordeel mee doen.
Loop niet in het water: spottend gezegde tegen iemand die zo met zichzelf of met zijn mooie kleren vervuld is, dat hij niet ziet waar hij loopt.
Loop niet in mijn vaarwater: loop niet zo in de weg.
Maak daar geen water om vuil: doe daar geen moeite voor; verspil daar niet zoveel woorden aan.
Onder water zijn: onbereikbaar zijn.
Stille wateren hebben diepe gronden: mensen die zich niet uitlaten, hebben heel dikwijls diepe gedachten; ze zijn meer dan ze schijnen.
Vuil water blust ook vuur: in tijden van nood moet men zich ook met mindere zaken kunnen behelpen.
Water bij de wijn doen: zijn eisen matigen, zijn voorwaarden minder streng stellen.
Water naar de zee dragen: iets naar een plaats brengen, waar er al genoeg van is. iets overbodigs doen.
Zijn plan is in het water gevallen: zijn plan is mislukt.

Eén antwoord op “Spreekwoorden en gezegden”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *